Onderwerpen

maandag 23 mei 2011

Actieplan ‘Basis voor Presteren’ realistisch?


Het ministerie heeft een plan: ‘Basis voor presteren’. Het actieplan bevat een samenhangend pakket aan maatregelen om elk talent te benutten en te streven naar een ambitieuze leercultuur in het primair onderwijs.

Ik lees: ‘Ambities voor verbetering van leerprestaties gaan hand in hand met realistische, maar ambitieuze streefdoelen op stelselniveau. De functie hiervan is om in beeld te brengen of we op koers liggen en of bijsturing nodig is. Zonder ambities geen betere prestaties.’ 
Niks mis mee, zou ik zeggen.

Toch heb ik bij eerste lezing al een tweetal vragen.

Eindopbrengsten
Het gemiddelde prestatieniveau op de Cito-eindtoets is in 2015 gestegen van 535,4 in 2010 naar het niveau van score 537.
• De grensscore voor de beste 20% van de leerlingen ligt in 2010 tussen de 543 en 544. Deze grensscore moet in 2015 zijn gestegen naar het niveau van score 545.

Vraag 1
Er zal ongetwijfeld met het Cito zijn overlegd over deze ‘realistische’ ambitie, maar het doet mij sterk denken aan de uitspraak die een inspecteur zich eens liet ontvallen: ‘Als ik nou de volgende keer weer kom, dan moeten alle E-tjes veranderd zijn in D-tjes.’ Verderop in dit blog 'Leesproject mislukt' leg ik uit waarom dat volgens mij niet kan. Ik vraag me dus af hoe scholen dit moeten realiseren. Als we deze lijn doorzetten naar de toekomst, dan wordt het streven dus dat op termijn alle leerlingen uit groep 8 naar het gymnasium gaan … (!). En bovendien: geldt dit (deze getallen) straks nog? Er komt toch een geheel nieuwe, verplichte eindtoets, waar elke leerling op een voor hem passend niveau aan mee kan doen?

Werken met leerwinst
Om de inspanningen van scholen goed te kunnen waarderen, is het belangrijk dat scholen de leerwinst van individuele en groepen leerlingen beter in beeld brengen. Leerwinst bestaat uit de toename van vaardigheden of competenties van leerlingen, zoals die op en tussen verschillende meetmomenten wordt vastgesteld. Naast de leerwinst is de toegevoegde waarde van een school een belangrijke indicator van de opbrengsten van een school. Deze indicator geeft aan welke bijdrage de school als geheel levert aan de ontwikkeling van de leerlingen. Het belang daarvan neemt alleen maar toe met de invoering van passend onderwijs. Scholen moeten in het onderwijs nog beter aansluiten bij verschillen in capaciteiten tussen leerlingen. De ontwikkeling van een faire, eenvoudige en goed hanteerbare werkwijze om de leerwinst van leerlingen en de toegevoegde waarde van de school in beeld te brengen, kan scholen daarbij behulpzaam zijn. Daarom starten OCW en de onderwijsinspectie komend schooljaar (2011/2012) een serie pilots, waarin de verschillende aspecten en werkwijzen voor het bepalen van leerwinst van leerlingen en toegevoegde waarde van scholen worden beproefd. Dit vindt plaats in een samenwerkingsverband met scholen, wetenschap en experts. In deze pilots is het ontwikkelen en uitproberen van een begintoets een belangrijk onderdeel. Hierbij wordt onderzoek gedaan naar het meest geschikte moment voor afname van een begintoets, de inhoud van de toets, de toetsbaarheid van het jonge kind en de relatie tussen de begintoets en de voor- en vroegschoolse educatie. Naast gegevens over de beginsituatie van leerlingen wordt op de pilotscholen met behulp van het leerling- en onderwijsvolgsysteem en de centrale eindtoets informatie verzameld over de voortgang van de ontwikkeling van de leerlingen. Hierbij wordt bepaald hoeveel meetmomenten nodig zijn om de leerwinst en toegevoegde waarde goed te kunnen vaststellen. De inzichten en resultaten uit de pilots leiden eind 2013/begin 2014 tot een uitgewerkt voorstel voor vormgeving en invoering van een werkwijze om de toegevoegde waarde van scholen te bepalen en de functie daarbij van een begintoets, de tussentijdse lovs-toetsen en de centrale eindtoets. In dit voorstel komt ook aan de orde of en zo ja op welke onderdelen, aanvullende wet- en regelgeving noodzakelijk is.

Vraag 2
Hoe wil men ‘de inspanningen van de scholen’ op een ‘realistische’ manier waarderen? Men spreekt van ‘leerwinst’ en ‘toegevoegde waarde’. Kan het bijvoorbeeld voorkomen dat er bij een leerling sprake is van een zeer geringe leerwinst, maar van een grote toegevoegde waarde? In mijn ogen wel … Ik zie dan een leerling voor me met een (zeer) geringe aanleg/potentie, die zich méér vaardigheden en competenties heeft eigen gemaakt dan je op basis van die aanleg zou mogen verwachten. Prima werk dus van de school! En als die school nu eens heel veel van deze leerlingen heeft? Zal het nieuwe systeem de school dan een compliment geven ondanks de geringe leerwinst (een laag ‘gemiddeld prestatieniveau op de Cito-eindtoets’ om nog maar even aan te sluiten bij de ‘Eindopbrengsten’ van vraag 1)? Zou wel moeten. De school heeft per slot van rekening een grote toegevoegde waarde gerealiseerd. Ze hebben er zelfs méér uitgehaald dan erin zit. Ik ben er niet gerust op dat dit goed komt omdat ik in bovenstaande niets lees over het meten van de aanleg/potentie van de leerlingen …