Onderwerpen

maandag 18 april 2011

Zwakke school? Weerleg het zelf!


Basisscholen met minder dan 100 leerlingen zijn vaker zwak of zeer zwak dan basisscholen met meer leerlingen, meldt de Inspectie van het Onderwijs.

De mededeling heeft met name in kringen van kleine scholen voor de nodige verontwaardiging gezorgd: hoe zeker is het dat de constatering verband houdt met de grootte van de school? Kan het niet zijn dat andere factoren een bepalende rol spelen?

Er is een manier om daar zèlf achter te komen …

Al jaren pleit ik bij het bepalen van de opbrengsten van het onderwijs voor een andere werkwijze dan die welke door de Inspectie van het Onderwijs wordt gehanteerd.
Bij het vergelijken met andere scholen zie ik een bezwaar in de huidige praktijk waarbij er door de onderwijsinspectie voornamelijk wordt gekeken naar het niveau van de resultaten (in beeld gebracht met bijvoorbeeld de Eindtoets Basisonderwijs van het Cito). Een score onder het landelijk gemiddelde wil nog niet zeggen dat de school het slecht heeft gedaan: er moet ook gekeken worden naar de mogelijkheden (de aanleg/intelligentie) van de leerlingen. De onderwijsinspectie komt daaraan tegemoet door de scholen in te delen in zeven schoolgroepen op basis van de leerlinggewichten, die een relatie hebben met onder meer het opleidingsniveau van de ouders. Ik vind dat dit beter kan op basis van de gemeten intelligentie van de leerlingen: De zoon van de dominee hoeft niet noodzakelijkerwijs slimmer te zijn dan de dochter van de stratenmaker. Wanneer blijkt dat de school eruit gehaald heeft wat erin zit, moet het oordeel over de school voldoende luiden.
Hoe kom je daar nu achter? Samen met Harrie Meinen maakte ik daarvoor een handzaam instrument:


Rapportage Indicatoren Opbrengsten (RIO)
- voor scholen die eruit willen halen wat erin zit –


Uitgangspunt
Als het over opbrengsten van het onderwijs gaat, vinden wij dat de school eruit moet halen wat erin zit. De onderwijsinspectie vindt dat ook: ‘De opbrengsten liggen op het niveau dat op grond van de kenmerken van de leerlingenpopulatie mag worden verwacht.’ (Toezichtkader, september 2009). Wij vinden dat we deze kenmerken het beste kunnen bepalen op basis van de gemeten aanleg (intelligentie) van de leerlingen.
In dit hulpmiddel vergelijken wij voor het in beeld brengen van de opbrengsten dus de aanleg/potentie van de leerlingen met hun resultaten. Eenvoudig gezegd: van een leerling met de potentie A (de beste 25%) verwachten wij ook een niveau A.

Doel
Met dit hulpmiddel willen we op een eenvoudige, compacte en overzichtelijke wijze de opbrengsten rapporteren aan de inspectie. We beperken ons dan ook uitsluitend tot datgene wat de inspectie vraagt (Analyse en waarderingen van opbrengsten, oktober 2009). Het rapport bevat daardoor uitgeprint hooguit twee A4-tjes.

Werkwijze
We maken gebruik van de gegevens uit uw leeringvolgsysteem. De scores moeten uitgedrukt kunnen worden in de niveaus A/E of I/V, dat is ook bij andere dan Cito-toetsen thans doorgaans het geval.
Daarnaast maken we gebruik van de gegevens van (klassikale) aanleg/intelligentietesten, waarvan de scores eveneens uitgedrukt kunnen worden in de niveaus A/E of I/V. Sommige testen doen dat standaard. Wanneer de test een percentielscore geeft, kunt u eenvoudig zelf het A/E of I/V niveau erbij zoeken*.

Berekening
Voor het berekenen van het opbrengstpercentage hanteren wij de uitgangspunten die worden beschreven in de handleiding van de Drempeltest:

Stel dat u rapporteert dat 68% van de leerlingen laat zien waartoe zij in staat is, dat 22% van de leerlingen zelfs iets méér laat zien dan u op basis van de gemeten aanleg zou verwachten en dat tot slot 10% van de leerlingen minder laat zien dan waartoe ze in staat is.

Wat is dan de conclusie?
Als het uitgangspunt is dat u eruit wilt halen wat erin zit, heeft u met 10% van de leerlingen een probleem. Dat 22% méér laat zien dan erin zit, zou echter de notie kunnen doen ontstaan dat hiermee die 10% ruimschoots gecompenseerd wordt …

Toch is het in onze ogen niet verstandig deze interpretatie te hanteren. Om het eenvoudig en overzichtelijk te houden, zou de school dicht bij haar uitgangspunt moeten blijven: eruit halen wat erin zit.
Als dat (meer dan) slaagt, dan is het in orde. De aandacht dient echter te blijven uitgaan naar het percentage leerlingen bij wie dat niet lukt. Daar ligt immers nog een opdracht. Met andere woorden, de school zou moeten rapporteren in percentages ‘gerealiseerd’.
Op basis daarvan zou je ‘vakken’, leerjaren of scholen ook kunnen vergelijken (eventueel aan de hand van een landelijke norm). Stel dat het percentage ‘gerealiseerd’ bij rekenen/wiskunde op uw school 72% is en bij taal/ lezen 88%. Dan zou de aandacht voor het verbeteringsbeleid moeten uitgaan naar rekenen/wiskunde.

Omdat de hier genoemde Drempeltest ook een schooladvies voor het VO geeft, kunt u zich afvragen of een eindtoets –naast de op bovenstaande wijze gewaardeerde gegevens uit uw leerlingvolgsysteem- nog iets toevoegt …

Tot slot wordt de samenstelling van de leerlingenpopulatie nog vergeleken met de landelijke verdeling. Zo kunt u zien of uw school meer of minder dan gemiddeld beschikt over leerlingen met veel of minder aanleg.

*) E = 0 t/m 10, D = 11 t/m 25, C = 26 t/m 50, B = 51 t/m 75 en A = 76 t/m 100.
     V t/m I wordt verdeeld in vijf groepen van 20 (0 t/m 20, 21 t/m 40 enz.).