Zoeken in dit blog

Wordt geladen...

donderdag 3 maart 2011

Voorstellen centrale eindtoets zo gek nog niet

Het conceptwetsvoorstel van minister Van Bijsterveldt rond de centrale eindtoets is zo gek nog niet. Ik lees daarin een aantal passages waarmee heel goed valt te leven.
Sterker nog: het kon er wel eens beter van worden!


Dat het gedoe rond de eindtoets nu eindelijk eens van regeringswege wordt geregeld, zal niemand betreuren. Dat het Cito de opdracht krijgt dit in de praktijk handen en voeten te geven, zal iedereen begrijpen. Dat in de voorstellen nog een aantal andere zaken worden meegenomen, kan geen kwaad. Ik noem de hoofdpunten:

a)  invoering centrale eindtoets Nederlandse taal en rekenen-wiskunde;
b)  nadere afweging met betrekking tot wereldoriëntatie;
c)  verplicht gebruik en toepassing van een leerling- en onderwijsvolgsysteem;
d)  ontwikkeling begintoets en maat voor toegevoegde waarde.


Hieronder volgen een aantal passages met daarbij mijn opmerkingen.

Door de centrale eindtoets later in het schooljaar een plek te geven, wordt bereikt dat het schooladvies (weer) centraler komt te staan in de overdracht naar het voortgezet onderwijs. En niet langer aan erosie onderhevig is door een ontwikkeling waarbij de score op de Cito-eindtoets soms zwaarder lijkt te wegen dan het schooladvies. 

Het accent komt nu (weer) te liggen op het oordeel van de school. De gegevens uit het LVS spelen (weer) een rol die ze verdienen. De periode (15 april/15 mei) is prima en kan eigenlijk niet later: het Cito zal de tijd moeten hebben de gegevens te verwerken. De gegevens kunnen bij het advies VO (weer) een rol spelen als ‘tweede gegeven’, zoals het bedoeld was:  een check achteraf (in tweede instantie). Natuurlijk zijn de gegevens ook van belang in het kader van een evaluatie:  hoe doen we het als school. Ik zou me (zéker de komende jaren) beperken tot rekenen en taal.

De wetgever schrijft niet voor wélk leerling- en onderwijsvolgsysteem moet worden gebruikt. Dit geldt ook voor de tussentijdse toetsen die worden gebruikt. Het zou te ver voeren om de inhoud van de tussentijdse toetsen uit leerling- en onderwijsvolgsysteem onder regie en verantwoordelijkheid van de overheid te brengen. Niet alleen vanuit praktische overwegingen, maar zeker ook vanuit de overweging dat de overheid zich dan te diep begeeft in het onderwijsproces, het ‘hoe’. Wel worden kwaliteitseisen aan de toetsen gesteld, die moeten waarborgen dat de vorderingen van leerlingen op een betrouwbare en valide manier worden gevolgd. Dit aspect is ook van belang voor de verdere doordenking en ontwikkeling van een maat om de toegevoegde waarde/leerwinst in de toekomst goed in beeld te kunnen brengen.

Dat een LVS nu echt moet, zal niemand meer verbazen. We beleefden dat eigenlijk al zo.
De insteek dat scholen voor wat betreft de middelen iets te kiezen moeten houden, is uitstekend. Nu kan een school de te gebruiken materialen in overeenstemming brengen met de aard van hun leerlingenpopulatie en met de doelen die haar voor ogen staan.

Toetsen worden ten minste afgenomen in een van de eerste twee schooljaren en vervolgens jaarlijks in de schooljaren drie tot en met zeven en zij worden afgenomen in overeenstemming met de afname-aanwijzingen, die zijn opgenomen in de handleiding bij de desbetreffende toets.

Dit opent de mogelijkheid om de toetsen ‘slechts’ (voor het eerst) af te nemen in de tweede helft van groep 2 (daarvóór observeert de leerkracht de ontwikkeling met behulp van observatiemiddelen) en vervolgens één keer per jaar (tot en met groep 7). Dat zou de (verplichte) toetslast behoorlijk verminderen: zes toetsmomenten over de gehele schoolloopbaan, plus de eindtoets. Tussendoor wordt de ontwikkeling natuurlijk in de gaten gehouden met methodegebonden toetsen.

De toetsen … voldoen aan het kwaliteitsoordeel van een onafhankelijke commissie betreffende inhoudelijke validiteit, betrouwbaarheid en deugdelijke normering;
… maken de longitudinale ontwikkeling zichtbaar op het niveau van de leerling, de groep en de school.

Er mag verwacht worden dat het ministerie komt met een lijst van methodeonafhankelijke toetsen ‘die mogen’. Dat kan geen kwaad …

… In het achtste schooljaar legt de leerling in de periode van 15 april tot  en met 15 mei een centrale eindtoets af. De centrale eindtoets kan op verschillende niveaus worden aangeboden.
… Het bevoegd gezag bepaalt mede op basis van het leerling- en onderwijsvolgsysteem, … op welk niveau de leerling de centrale eindtoets aflegt.

Hier ben ik pas ècht blij mee: nu kan elke leerling in redelijkheid meedoen. Ik ben nog wel benieuwd naar de uitwerking, maar het laat zich aanzien dat het niveau wordt gekozen n.a.v. de positie in het LVS (het bestuur beslist). Te denken valt aan de oriëntaties pro/lwoo, vmbo en havo/vwo (dus drie niveaus). Daarnaast zullen er leerlingen blijven die om andere redenen niet mee kunnen doen, maar daarin wordt voorzien.

Toegevoegde waarde en begintoets

Tegelijkertijd met de voorbereiding en invoering van het wetsvoorstel wordt de uitvoering ter hand genomen van de afspraken uit het regeerakkoord over ontwikkelen van een maat voor toegevoegde waarde (leerwinst) van het onderwijs. De kern daarvan is om op school- en stelselniveau in beeld te brengen of scholen naar vermogen presteren. Dat stimuleert alle scholen op een positieve manier om hun leerwinst, en dus hun prestaties, te verbeteren.

Dit is een uitermate moeilijke materie. Het vergelijken van een Begintoets met de Eindtoets lijkt me niet te realiseren. Zeker niet om daaruit af te leiden of de school naar vermogen presteert. Het is te complex en het traject is te lang:  er spelen te veel (niet te beïnvloeden) factoren een rol.
Ik blijf daarom pleiten voor het nagaan of eruit komt wat erin zit:  meet de aanleg (om de twee leerjaren) en kijk (aan de hand van het LVS) of  het vaardigheidsniveau van de leerling daarmee overeenkomt. Daar heb je als leerling/school wat aan (‘zijn we goed bezig?’) en je kunt rapporteren in termen van ‘we doen wat er van ons verwacht mag worden’.