Onderwerpen

maandag 19 januari 2009

Scholen stellen zèlf hun LVS samen


Steeds meer scholen stellen zèlf een pakket aan toetsen samen waarmee zij hun leerlingen volgen. Sinds de toetsen van het Cito LVS over DLE-schalen be-schikken en de toetsen van het DLE-LVS over Cito-schalen, vormt de verwerking van de ruwe scores geen probleem meer: de school kan er voor kiezen vast te houden aan de Cito-registratie, maar kan ook álle scores middels DLE’s verwerken. De laatste mogelijkheid wordt overigens meer en meer toegepast.

Scholen hebben het gevoel met behulp van de DLE’s ‘dichter bij het kind’ te kunnen rapporteren over de vorderingen. Ook ouders blijken die manier van rapporteren op prijs te stellen. Hoewel met behulp van het Cito-LVS ook heel goed een rapportage ‘dichtbij het kind’ mogelijk is, beperkt de communicatie zich in de praktijk toch vaak tot het spreken over A-tjes en E-tjes.


Wat daarbij overigens opvalt is het feit dat er een merkwaardig misverstand is ontstaan over de C-leerling: die zou ‘normaal’/voldoende presteren, omdat de C in het midden staat van de rij A, B, C, D en E. Echter, de Cito-verdeling van zeer zwak (E) naar goed (A) loopt over 10, 15, 25, 25 en 25 procent van de populatie, waardoor de C-leerling behoort tot het twééde kwart, dus onder het gemiddelde … (!). Dat scholen voor het verwijzen van leerlingen naar het PrO en LWOO (wettelijk verplicht) DLE’s moeten aanleveren, heeft de toepassing van DLE’s natuurlijk ook bevorderd.


Nu bovenstaande ontwikkeling stevig doorzet, kiezen ook ander toetsenmakers ervoor DLE- en/of Cito-schalen toe te voegen aan hun testen. Een goed voorbeeld hiervan is de Dyslexie OpsporingTest, de DOT van uitgeverij Libbe Mulder. Waar de test aanvankelijk uitsluitend stanine-scores bevatte, werken de auteurs nu met grote haast aan het maken van DLE-schalen (en voor het gemak ook Cito-schalen) bij de test. Hierdoor wordt het toepassingsgebied van de test aanmerkelijk vergroot: hij kan dan niet alleen ingezet worden voor het opsporen van dyslectische leerlingen, maar tevens dienst doen als spellingtoets in het kader van een LVS. De auteurs schrijven daarvoor zelfs een aparte B-versie. Voor de scholen is deze ontwikkeling gunstig: met de DOT slaan ze dan twee vliegen in één klap …


Voor wat betreft de ‘gewone’ leerlingvolgsysteemtoetsen hebben de scholen ook een voordeel: ze kunnen een toets kiezen die het beste bij hun populatie of werkwijze past. Een voorbeeld zien we in de toetsen voor begrijpend lezen van Cito en Boom test uitgevers. De laatste zijn ‘lichter verteerbaar’, zodat meer aan de zwakke leerling wordt tegemoet gekomen. Afhankelijk van de schoolpopulatie kan de school dan een keuze maken. Tot slot is er nog de keuze tussen domeintoetsen (Cito) en cumulatietoetsen (Boom test uitgevers). Domeintoetsen gaan over een deel uit de leerlijn en cumulatietoetsen gaan van gemakkelijk naar moeilijk. Ook hier kan in het laatste geval weer tegemoet worden gekomen aan de zwakkere leerling: hij kan maken wat hij kan en loopt niet het risico alles fout te maken.


Zo kunnen scholen dus een keuze maken uit verschillende (soorten) toetsen afhankelijk van hun eigen schoolsituatie. Ze hoeven zich daarbij niet meer zorgen te maken over het feit of de toets wel in hun systeem past. Nagenoeg alle administratiepakketten kunnen de ingebrachte ruwe scores namelijk verwerken op een wijze die hen past (DLE’s of Cito).